HET ONGEBALANCEERDE PAARD

Praktische overwegingen voor paarden met lage hals problematiek

In de natuur gebruiken paarden hun nek als een natuurlijk evenwichtsorgaan. Ooit een paard plat door de bocht zien gaan als een motor, maar toch in balans zien blijven? Ze kunnen dit doen door hun gewicht in het binnen voorbeen te plaatsen terwijl ze met hoofd en hals naar buiten hangen. Bovendien zorgen zenuwen die door de onder hals lopen voor een goede proprioceptie, zodat het paard daarbij zijn benen goed onder controle kan houden. Maar wat als de nek is aangetast?

Tussen 2016-2019 had ik het genoegen om wereldwijd met 144 paarden te werken, waarvan 40% tot op zekere hoogte lagere halsproblemen hadden. Ik ben me er volledig van bewust dat deze cijfers niet voldoende zijn voor een wetenschappelijke data sample. Verder erken ik ook dat deze paarden de neiging hebben mijn pad te kruisen nadat het bekend werd dat ik ervaring had met deze problematiek. Desalniettemin kan de hoge prevalentie niet worden genegeerd en ben ik het aan die paarden verplicht om mijn verkregen vaardigheden te gebruiken om bewustzijn te verspreiden en mogelijk anderen te helpen.

In dit artikel zal ik dieper ingaan op de twee meest voorkomende problemen in de lagere hals die ik tot nu toe ben tegengekomen: ECVM en (osteo) artrose. Ik zal eerst ingaan op de morfologie en de klinische gevolgen van deze aandoeningen. Vervolgens zal ik enkele belangrijke praktische overwegingen delen omtrent management en training van paarden die lijden aan deze aandoeningen. Ten slotte zal ik afsluiten met een samenvatting van de belangrijkste lessen die ik heb geleerd.


EVCM

ECVM staat voor Equine Complex Vertebral Malformation, voorheen bekend als C6/C7 malformatie. De naamsverandering was het resultaat van lopend onderzoek waaruit bleek dat de complexiteit van deze malformatie niet werd gerechtvaardigd door de eenvoud van de term. De effecten reiken veel verder dan alleen de nek, waardoor deze aandoening uiterst complex van aard is.


De malformatie is een aangeboren afwijking, wat betekent dat paarden ermee worden geboren of niet. Van bepaalde bloedlijnen is bekend dat ze een sterke erfelijke aanleg hebben.


Voor de beste inhoudelijke uitleg van deze aandoening verwijs ik graag naar gerenommeerd Australisch patholoog Sharon May-Davis die ECVM aan het licht bracht. Ze ontdekte haar eerste kennismaking met de aangeboren afwijking 20 jaar geleden door de botten van een volbloed genaamd Presley. In haar oorspronkelijke artikel (2013) legde ze deze aandoening als volgt uit: ''In de 6e halswervel (C6) werd een unilaterale of bilaterale afwezigheid van de caudale ventrale tubercle (CVT) opgemerkt. In aanwezigheid van de C6-misvorming presenteerde de 7e halswervel (C7) ofwel als normaal, of, met een unilaterale of bilaterale transpositie van de CVT van C6 naar het ventrale oppervlak van C7 met een arterieel foramen. De aanwezigheid van deze transpositie op C7 werd opgemerkt aan de overeenkomstige zijde als de afwezige caudale ventrale tubercle op C6.''

Links: normale C6. Rechts: malformatie C6.


May-Davis 2013


Links: normale C7. Rechts: malformatie C7

May-Davis 2013



Dus in het kort, de malformatie presenteert zich in afwezigheid van een of beide caudale ventrale tubercles van alleen C6 of beide C6 en C7. Deze tubercles zijn belangrijk omdat ze aanhechtingspunten bieden voor cybernetische spieren vanuit de borst en hals, zoals Longus Colli. De malformatie verhindert correcte insertie van deze spier, wat resulteert in asymmetrie en algemene dysfunctie: ''Deze studie toonde aan dat de functie van de L. Colli-spieren aangetast was in aanwezigheid van de aangeboren malformatie in C6 en C7 en bovendien dat mechanische krachten een asymmetrische belasting op de aanhechtingspunten plaatste. Dus met een belemmerende functie faalt de L. Colli-spier in zijn rol als intersegmentale stabilisator, wat vervolgens leidt tot wervelinstabiliteit, degeneratieve gewrichtsveranderingen en asymmetrische gewrichtsprocessen (May-Davis 2014).''

Daarnaast, wegens de cybernetische natuur van de Longus Colli - wat betekent een rijkelijk geïnnerveerde spier - leidt elke dysfunctie tot neurologische implicaties omdat het ''ertoe zou leiden dat de hersenen onjuiste neurale berichten ontvangen vanwege abnormale gepaarde linker en rechter spanning in de spier en als een direct gevolg hiervan zal het paard zijn houding hier aan aanpassen. (May-Davis 2014).''


Afgezien van spierdysfunctie, heeft ECVM ook een direct effect op de neurologie als gevolg van veranderingen in de tussenwervel foramen - de kanalen waardoor de wervelkolomzenuwen passeren. Bij sommige paarden zijn de foramen asymmetrisch, terwijl ze bij andere ernstig zijn versmald. Hoe dan ook, de resultaten zijn mogelijke zenuwcompressie, waardoor ECVM een zeer onvoorspelbare toestand is.


Sinds de publicatie van het eerste artikel is het onderzoek opgepikt door veel wetenschappers. Hoewel het voor het eerst werd ontdekt in Volbloeden, is het nu ook geïdentificeerd in het Friese paard, Ierse Sport Paard, Warmbloeden, Standardbreds, Pony’s, Arabieren en gekruiste rassen. De nieuwste cijfers laten zien dat 12/25 (!) ontlede paarden wereldwijd ECVM presenteerden in 2018 (May-Davis 2019). Met nieuwe ontdekkingen, is de lijst met bijbehorende klinische symptomen gegroeid, waarvan u hieronder een overzicht kunt vinden:


Spierdysfunctie en asymmetrie

Zoals reeds uitgelegd, is de correcte insertie van de Longus Colli-spier niet mogelijk. Bij het bekijken van de algehele spier-toning vertonen paarden ook vaak compensatiepatronen rond de Brachiocephalic, Scalenus, Cutaneous Trunci, Spinalis, Trapezius, Rhomboideus, Biceps, Thoracic Sling, Longissimus Dorsi, Middle Gluteal en Hamstrings.

Foto van een paard met beide C6/C7 malformatie met duidelijke compensatiepatronen in muscle toning. Dit is een vrij extreme casus, signalen kunnen ook milder zijn. Door zwakte in de achterhand wordt cuteanous trunci gebruikt ter compensatie om de achterbenen naar voren te brengen, dit is een redelijk veelvoorkomend patroon.

Pijn bij palpatie

Paarden kunnen spasmes of ongemak vertonen op triggerpoints in de onderhals en achter de oren.

Maagzweren

Interne stress door instabiliteit kan leiden tot zweren en maagproblemen.

(Onverklaarbare) kreupelheid

ECVM veranderd houding en ledemaat actie. Een recent artikel concludeerde dat er ‘’steeds meer aanwijzingen zijn dat zenuwwortelbeschadiging kan leiden tot kreupelheid van de voorbenen (Dyson 2019).” Als zodanig is ECVM geassocieerd met inconsistente kreupelheid van de voorbenen.


Hoef problemen

Een eenzijdige presentatie van ECVM leidt vaak tot het high heel / low heel syndroom. Deze paarden hebben de neiging om een ongelijke voorbeenhouding aan te nemen​ ​- voornamelijk met één voet naar voren. In het geval van een bilaterale presentatie wijzen de voorbenen vaak naar buiten. Deze paarden vertonen soms een teenlanding en kunnen zich ataxisch gedragen over oneffen grond. Daarom zijn, om deze paarden te managen, kortere trimintervallen van elke 2-4 weken gewenst.


Tand- en kaakproblemen

Sommige van deze paarden vertonen 7 kiezen. Bovendien kan een eenzijdige malformatie leiden tot scheefheid van de kaak. Getroffen paarden hebben vaak baat bij een kortere interval tussen tandarts behandelingen - elke 8 tot 10 maanden in plaats van elk jaar.


Wees er ook van bewust dat ECVM ook de acceptatie van het bit en het algemene contact kan belemmeren. Tekenen zijn onder meer weerstand, open mond, tong over bit, klappertanden, kantelen etc.


Gedragsproblemen

In het geval van ECVM is er maar één zekerheid: deze paarden zijn voorspelbaar onvoorspelbaar. Het bereik van aanwezige gedragssignalen kunnen binnen het individu variëren. Sommige paarden kunnen grillig zijn, sommige stoïcijns. Sommige zijn misschien onhandig, sommige zijn over het algemeen nerveus. Er is veel ervaring voor nodig om onderscheid te maken tussen wat abnormaal is en wat een variatie. Bovendien is het abnormale gedrag niet altijd aanwezig. Het kunnen die paarden zijn die voor 95% van de tijd totale lieverds zijn, maar plotseling iets doen wat buitengewoon is. De eigenaar is dan verbaasd met veel voorkomende uitspraken als 'hij heeft nog nooit zoiets gedaan' of 'ik weet niet wat hem plotseling overkwam'. Ooit het boek De Grote Vriendelijke Reus van Roald Dahl gelezen? Ik heb een paard met beide C6/C7 malformatie die zijn bijnaam van GVR echt verdient. Maar zo nu en dan triggered iets onverwachts een gedragsafwijking, waardoor hij al een keer tegen iemand aan is gesprongen met door een hek lopen. En het ding is, ook hij ziet er achteraf verward uit alsof hij niet begrijpt wat er zojuist is gebeurd. Het is dus een ‘stil’ gevaar.

Neurologische complicaties

Paarden met ECVM vertonen vaak minder stabiliteit, slechte coördinatie en proprioceptie. Enkele eigenaren beschreven de bewegingen van hun paarden als die van een dronken mens. Sommige gevallen krijgen een verkeerde diagnose met ataxie, wobblers syndroom of stringhalt.


Malformaties van het borstbeen, de eerste rib en T1

In het geval van een C6 en C7 malformatie zijn de eerste - soms ook de 2e - borstbeenrib en de eerste thoracale wervel (T1) ook altijd misvormd. Vandaar dat de malformatie niet alleen de nek beïnvloedt, maar ook de hele borst. Bovendien vertonen deze paarden vaak een zogenaamd ‘golvend’ borstbeen (sternum). Paarden kunnen heftig reageren op aansingelen en problemen ondervinden bij het passen van het zadel, dit omdat de Trapezius Thoracis en Spinalis spieren ook disfunctioneel kunnen zijn.


Scoliose in de lumbale wervelkolom

Dit is aanwezig in 100% van de gevallen met ECVM tot nu toe en beperkt natuurlijk de prestaties. Persoonlijk had ik ook nogal wat gevallen waarbij scoliose gepaard ging met kissing spines in de caudale tot lumbale wervelkolom – deze gevallen zal ik delen in de statistiek sectie.


Overactieve bijnieren

De bijnieren zijn verantwoordelijk voor de productie van hormonen, vooral cortisol. Vanwege instabiliteit is het lichaam altijd intern gestrest wat zich vertoont als kankercellen op de bijnieren tijdens dissecties.


Dus in het kort, de aangeboren malformatie uit zich naar alle waarschijnlijkheid in klinische en functionele implicaties van de thoracale ingang, ledematen en ingewanden veroorzaken met de ‘’waarschijnlijkheid van het veranderen van houding en bewegingsfunctie (May-Davis 2019).”


Het moet echter gezegd worden dat de ontdekking van ECVM en de bijbehorende symptomen wereldwijd heeft geleid tot een verhit debat, zowel tussen aanhangers als tegenstanders - waarvan sommigen zelfs het bestaan ​​ervan ontkennen. Een recent (2019) artikel van Veraa et al. betoogde dat ECVM niet als een malformatie moet worden beschouwd, maar in plaats daarvan als een morfologische variatie zonder klinische implicaties waarin wordt verklaard dat: ''Homologe morfologische variatie gebruikelijk is in de caudale cervicale wervelkolom van Warmbloeden (...) Radiografische aanwezigheid van dergelijke variatie impliceert niet noodzakelijkerwijs de aanwezigheid van klinische signalen.''


Op basis van mijn jarenlange ervaring ben ik het volledig oneens met deze uitkomsten die op één bepaald moment werden gemeten in een gecontroleerde omgeving. De complexiteit van ECVM vereist observaties voor langere tijd. Ik ben nog nooit een paard met ECVM tegengekomen zonder enige klinische symptomen. In de meeste gevallen beschikken de eigenaren van deze paarden over de meest waardevolle informatie aangezien ze hun paarden elke dag observeren en in staat zijn om eventuele afwijkingen of veranderingen in de loop van de tijd vast te stellen. Het is dus niet mijn bedoeling om verder onderzoek te bekritiseren, aangezien het feit blijft dat de aandoening bestaat en vanuit een rationeel perspectief elke aangeboren afwijking altijd klinische gevolgen zal hebben, omdat “logica dicteert dat asymmetrische vorm met asymmetrische krachten gepaard gaat (May-Davis 2019).''


Bovenstaande informatie zou voldoende moeten zijn om nu een eigen weloverwogen mening te kunnen vormen. Laten we daarom doorgaan met het op één na meest voorkomende probleem in de lagere hals dat ik tegenkom: artrose.

OSTEO-ARTROSE IN DE LAGERE HALS

Artrose is een degeneratieve ziekte die resulteert in ontsteking van de gewrichten. De symptomen die gepaard gaan met artrose in de lage hals zijn vrij gelijkaardig aan die van ECVM eerder genoemd. Dit komt omdat artrose ook een secundair effect heeft op de omliggende nekspieren, met name de cybernetische stabilisatoren. De juiste functie van deze spieren wordt verhinderd door ontsteking en pijn. Als direct gevolg compenseert het paard vaak door in plaats daarvan de langere - gymnastische - nekspieren samen te trekken in een poging om de nek tijdens beweging te stabiliseren. Dit resulteert meestal in stijfheid van de volledige nek. Zelfs met een succesvolle behandeling om de pijn te beheersen hervatten de cybernetische stabilisatoren niet automatisch hun normale functie. Bovendien vormt het verlies van stabiliteit tussen opeenvolgende wervels het stadium voor de ontwikkeling van verdere artritische veranderingen in andere (cervicale) wervels; ‘‘dit maakt nek-artritis tot een vicieuze cirkel van ontsteking, pijn en disfunctie (Stubbs 2016).‘’


Bovendien kan artrose ook zenuwcompressie veroorzaken - net als bij ECVM. Een recente studie (2019) door de Franse professor Touzot-Jourde verklaarde dat: ''artrose in C6-C7 kan compressie op de zevende cervicale zenuw veroorzaken, dit wordt geassocieerd met de sensatie van de schouder en het voorbeen.” In haar studie ontdekte ze dat paarden met geïnduceerde zenuwcompressie kortere passen en stijvere gangen presenteerde. Klinische symptomen waren het duidelijkst in het schoudergebied, waarover ze verklaarde: ''Het is alsof de schouder niet meer aan het lichaam is vastgeplakt (...) Het paard zwaaide zijn schouder lateraal naar buiten en liet het tijdens het staan afwijken en de voet werd te ver opzij geplaatst tijdens de stap. De klinische symptomen waren vergelijkbaar met een motorische stoornis van de supra-scapulaire zenuw die bekend staat als de Sweeney-schouder.”

Foto's van een paard met zware artrose in de lage hals. Het paard heeft duidelijk moeite met coördinatie.

De benen gaan overal naartoe met een patroon van wijdbeens voor en smal achter.



Een studie die probeerde het bestaan ​​van een caudale relatie tussen ECVM en artrose te identificeren, concludeerde dat ‘‘er geen verband was tussen de morfologie van C6 en articulaire osteoartritis (DeRouen et al. 2016)”. Dus hoewel beide aandoeningen bij dissecties samen zijn gevonden, kan een direct causaal verband niet worden aangenomen.


De halswervels van springpaard Luc vertoonden zowel C6&C7 malformatie als atrose tijdens dissecties. Bovendien zijn de wervels extreem licht van gewicht en lijken wel een honingraat. Zie foto rechts.

Verder moet er rekening gehouden worden met het feit dat ik bekend ben met gevallen van ernstige lagere nek (C6-C7) artrose bij paarden die nauwelijks werden bereden. Toch vertoonden al deze paarden een slechte houding en proprioceptie in combinatie met enkele van de andere genoemde symptomen.


Concluderend kunnen de klinische symptomen van ECVM en artrose van C5-C7 vrij gelijkaardig zijn en moeten daarom beide worden beschouwd als mogelijke oorzaken van onverklaarbare gevallen van kreupelheid, gebrekkige proprioceptie, gedragsproblemen en prestatieverlies. Voor een duidelijke diagnose zijn röntgenfoto's altijd nodig. Verschil in kwaliteit en kennis van de beoordeling kan een juiste diagnose echter belemmeren. Dit proces valt buiten het bestek van dit artikel, maar zal later in een afzonderlijk artikel worden behandeld.


ENKELE STATISTIEKEN…

Sinds de hoge prevalentie van lage hals problemen is er een toenemende vraag of het mogelijk is - en zo ja hoe - deze paarden te managen. Geleid door de paarden die mijn pad kruisten, ben ik ‘per ongeluk’ gespecialiseerd in het praktische management en de training van lage-hals aandoeningen. Laten we nu wat gegevens bekijken die ik tot nu toe heb kunnen documenteren.


Ik heb praktijkervaring opgedaan met 58 bevestigde gevallen- gediagnosticeerd met röntgenfoto's - van ECVM en artrose in de onderhals en op afstand betrokken bij nog eens 9 gevallen, goed voor een totaal van 67 gevallen. Van deze 67 gevallen presenteerden 43 ECVM, 18 lagere hals artrose en 6 van hen een combinatie van beide die ik zou classificeren als een 'complete puinhoop'.

Er was een grote variëteit in leeftijd, geslacht, ras en discipline. Alle paarden bevonden zich tussen 4-22 jaar oud. 65% van de gevallen viel tussen 9-12 jaar oud. De meeste eigenaren rapporteerden een verslechtering van de klinische symptomen na de leeftijd van 11 jaar.

Wat het geslacht betreft, was 71% merries en 29% ruinen. Er zijn nog geen hengsten aan mij gepresenteerd.

Er was een grote variëteit aan rassen, waaronder: volbloeden, standardbreds, Arabieren, kruisingen en warmbloeden - de laatste categorie maakte de meeste van mijn gegevens op met 54%. Van beide aandoeningen is ook bekend dat het andere rassen beïnvloedt, maar ik heb persoonlijk nog geen ervaring met die rassen.

In termen van discipline, 6% waren paarden die werden uitgebracht in medium – zwaar niveau eventing. 12% waren paarden die werden uitgebracht in medium – Internationaal niveau dressuurwedstrijden. 10% waren paarden die deelnamen aan laag tot medium springpaarden. 70% waren paarden die opnieuw werden geschoold- bijvoorbeeld een ex-renpaard - of niet actief werden uitgebracht in de sport = bijvoorbeeld paarden getraind in klassieke dressuur of met als doel om ze gezond en in balans te houden terwijl ze verschillende elementen varieerden zoals buitenritten, vrijheidstraining, working equitation, aangespannen etc.

Van die gevallen die werden gediagnosticeerd met ECVM, vertoonde 63% een malformatie van alleen C6 - met een hoge prevalentie van unilaterale misvorming - en 37% vertoonde een malformatie van zowel C6-C7- en dus ook T1 en eerste borstbeen wervel. Van de 43 gevallen, werd er van 19 röntgenfoto’s gemaakt van de thoracolumbale wervelkolom en 100% van deze gevallen vertoonden scoliose en/of kissing spines tot op zekere hoogte in het caudale thoracale tot lumbale gebied.


Van die gevallen die werden gediagnosticeerd met artrose in de lagere nek, vertoonde 94% botveranderingen van C5-C7 met meestal C6 de ergste.


ALLE paarden vertoonden een andere combinatie van symptomen, met als meest voorkomende slechte proprioceptie, asymmetrie en slechte houding, gedragsafwijkingen, hoefproblemen en problemen met contact en verzameling.


Ten slotte ben ik er van de 67 gevallen momenteel 8 (!) verloren met een gelijkmatige verdeling tussen gediagnosticeerde ECVM en artrose. Deze paarden bleven helaas te onstabiel om een ​​gelukkig paardenleven te leiden.


PRAKTISCHE OVERWEGINGEN EN AANPASSINGEN

Het is nu tijd om enkele praktische overwegingen te bekijken op basis van mijn ervaring met deze paarden. Ik zal eerst wijzen op enkele algemene belangrijke factoren en vervolgens inzoomen op specifieke elementen met betrekking tot training.

Ten eerste, als algemene regel, ga niet een op paard zitten als je twijfelt aan de veiligheid van een situatie. Dit lijkt misschien voor de hand liggend, maar veel te vaak zie ik ruiters op hun paard stappen zonder zich echt veilig te voelen omdat hen werd verteld dat ze ‘hier doorheen moesten’.

Ten tweede, wanneer het op mindset aankomt zijn er twee belangrijke factoren om rekening mee te houden: beide aandoeningen zijn chronisch en de enige garantie is dat deze paarden voorspelbaar onvoorspelbaar zijn. Vanwege het chronische karakter is het belangrijk om te beseffen dat het niet gaat om ‘fixing’, maar eerder om een ​​geval van managen dat een zekere flexibiliteit vereist om, indien nodig, af te wijken van trainingsdoelen. Het is belangrijk om te accepteren dat je paard altijd goede en slechte dagen zal hebben, waarbij de laatste een proactieve aanpassing vereist van een theoretische denkwijze naar een praktische.


Ik heb veel studenten ontmoet die als het ware hun hersenen braken, door zich af te vragen waarom hun paard - dat veel vooruitgang liet zien - plotseling een terugval had. Begrijp me niet verkeerd, natuurlijk moet je altijd dieper zoeken naar een oorzaak - misschien was je training een beetje te veel of is er iets veranderd in het dieet etc. Echter, als je een bevestigde diagnose van ECVM of artrose hebt, kan het zomaar op sommige dagen wel opspelen en op andere dagen niet. We hebben het hier over neurologie en er is zoveel dat we gewoon nog niet weten. Soms gaat het dus om het veranderen van een mindset van je zorgen maken naar actie ondernemen. Om te beseffen dat je misschien niet altijd weet waarom je paard een slechte dag heeft, vooral als de omstandigheden niet zijn veranderd, maar in plaats daarvan aanwezig bent in het moment en te vragen: ''Het spijt me, je hebt duidelijk een slechte dag, wat kan ik op dit moment voor je doen om het beter te maken?''


Omdat elk geval uniek is, zal het trainen van deze paarden bovendien altijd een proces van vallen en opstaan ​zijn. Dit vereist ook een bepaalde mindset van niet te hard zijn voor jezelf en fouten toestaan ​​- omdat ik kan garanderen dat die zullen gebeuren. Door ervaring geloof ik van harte dat paarden het verschil kennen tussen een eerlijke fout en oneerlijk zijn. Verandering is in het begin altijd ongemakkelijk en revalidatie is niet altijd leuk. Ik heb zelf tijd doorgebracht in een militair revalidatiecentrum en bij het rondvragen zou niemand het proces als leuk beschrijven. Het is soms ongelooflijk zwaar en moeilijk. Het verschil is dat deze militairen zijn doorgegaan omdat ze wisten waarvoor ze het deden en dat ze zich daarna beter zouden voelen. Onze paarden niet. Daarom zou het belangrijkste element voor hen zijn om het te doen, omdat ze erop vertrouwen dat we een visie hebben en hen op een zachte maar vastberaden manier leiden - net zoals elke goede leider zou doen. We kunnen dit alleen doen als we onze menselijkheid en onze tekortkomingen erkennen en tot op zekere hoogte accepteren - wat niets met arrogantie te maken heeft - anders kunnen we onze paarden niet goed begeleiden. Als je te hard bent voor jezelf, zul je te hard zijn voor je paard (en).


Ten slotte is het voor training ook belangrijk om flexibel te blijven. Een springparcours op een paard met coördinatieproblemen kan bijvoorbeeld een gevaarlijke situatie zijn. Naar mijn ervaring is het belangrijkste element dat bepalend is voor succesvolle revalidatie zelfgedragenheid door middel van het opnieuw 'bedraden' van spiergeheugen. In die zin wordt fysieke training altijd vanuit het brein benaderd. Denk er eens over na, spieren op zichzelf zijn dood weefsel zonder innervatie. Cybernetische aansturing bepaalt voor een groot deel het spiergeheugen. En het spiergeheugen bepaald weer houding. In het geval van lage hals problematiek blijkt spiergeheugen vaak niet effectief te zijn en daarom is mijn belangrijkste doel om te kijken of ik het zenuwstelsel kan 'her-bedraden' om andere stabilisatoren - cybernetische spieren - aan te spreken om de houding te compenseren en te verbeteren. Op deze manier verandert de houding niet alleen wanneer ik een paard actief train, maar ook wanneer het paard alleen in op stal, in de wei of paddock staat. Mechanische training is dus niet voldoende, aangezien een handige ruiter een paard in kunstmatig evenwicht kan brengen tussen de hulpen. Maar wanneer het paard dan terug keert naar de wei, paddock of stal, herinnert het lichaam zich niets en keert het paard dus ook weer terug in zijn scheve houding. En wat voor verschil maken de 30-40 minuten training per dag dan vergeleken met de andere 23 uur dat een paard alleen staat? Don't train harder, but train smarter!

Foto’s ter illustratie van de kracht van spiergeheugen bij paarden met lage hals problemen. Van depressief met slechte houding tot een trots paard wat een prachtige uitgestrekte draf in zelfhouding laat zien.



Sleutelelementen in mijn training om proprioceptie, spiergeheugen en dus houding te verbeteren zijn passieve fysio, verticale en horizontale balans, flexibiliteit en stamina. Ik zal hier in de volgende paragrafen op ingaan, maar vooraf moet ik nog wel even melden dat pijnmanagement altijd hieraan vooraf gaat en eerste prioriteit heeft alvorens training gestart kan worden!


PASSIEVE PHYSIO

Ik gebruik passieve fysio- en hersenspellen om een ​​juiste proprioceptie te trainen. De eerste stap in een trainingsprogramma gaat altijd over het optimaliseren van het management naar maximale efficiëntie met minimale inspanning.

Het bieden van mogelijkheden om te browsen - eten vanaf de knie of hoger - is een belangrijke eerste aanpassing, omdat dit op natuurlijke wijze de cybernetische spieren Longus Colli en Scalenus versterkt, evenals de thoracic sling. Je kunt struiken planten, je paard bergop of op een helling voeren, of hooinetten op verschillende hoogten ophangen. Ik gebruik meestal een 70-30% verhouding tussen eten vanuit een lage positie en browsen.


Dit paard heeft C6&C7 malformatie. Hij at altijd in een voorkeurshouding met rechtervoet naar voren. Na de introductie van browsen is zijn zelfhouding enorm verbeterd. Hij staat nu zelfs vaak vierkant in lage positie. Op deze manier hoef ik veel minder mechanisch ‘te trainen’ omdat het lichaam deze houding automatisch heeft opgeslagen als nieuw uitgangspunt.


Van daaruit bouw ik meestal een paddock met banden - in tweeën gesneden zodat het paard niet vast kan blijven zitten, palen en emmers ondersteboven. Ik leg voedsel onder de emmers en soms in de holle kant van de banden. Op deze manier moet het paard zijn hersenen gebruiken door te proberen het voedsel te krijgen en daarbij zich ook bewust door het 'doolhof' plaatsen.


Daarnaast gebruik ik ook enkele kunstmatige hulpmiddelen zoals balancepads, TTouch-wraps en kinesiologie-tape. Deze hulpmiddelen geven het zenuwstelsel een ander gevoel en ‘input’ van buitenaf, waardoor het paard beter kan voelen waar zijn lichaam zich bevindt in de ruimte.


Ten slotte dynamische carrot stretches – dit zijn stretches op een zachtere manier binnen het werkelijke bewegingsbereik van het paard. Ze kunnen bijdragen aan de flexibiliteit en het bewustzijn van het lichaam.


Al deze dingen zijn relatief eenvoudig te doen en kunnen een zeer groot effect hebben op houding en motoriek. Bovendien kunnen ze ook helpen bij het management. Zoals eerder vermeld, vereisen deze paarden bijvoorbeeld vaak kortere intervallen tussen bekapbeurten. Door instabiliteit kunnen ze echter moeilijk te trimmen zijn. Het aanbrengen van een tape of een balancepad onder het andere been kan hen soms die extra ondersteuning geven die ze nodig hebben om te stabiliseren.


Zodra de proprioceptie is verbeterd, ga ik door met mijn ‘actieve’ training waarbij ik voornamelijk focus op verticale balans op vierkanten en rechte lijnen.


VERTICALE / HORIZONTALE BALANS

Het is een algemene overtuiging dat scheefheid van het paard komt van zijn rug of achterbenen. In het geval van problemen met de lagere hals is het echter meestal de voorhand die de meeste asymmetrie en dysfunctie veroorzaakt.

In veel trainingsprincipes wordt aangenomen dat het paard zijn achterbenen onder het lichaam zet en zichzelf opwaarts en voorwaarts voortstuwt. In werkelijkheid worden de meeste opwaartse (verticale) krachten echter geproduceerd door de voorbenen: ''Bij paarden en de meeste andere viervoeters wordt 57% van de verticale impuls door de thoracale ledematen aangebracht en slechts 43% door de achterbenen (Merkens et al, 1993).''


Kortom, de achterbenen zijn voornamelijk bezig met het produceren van horizontale - voorwaartse - krachten, terwijl de voorbenen voornamelijk verticale - opwaartse - krachten produceren om een ​​tegenwicht tegen de zwaartekracht te bieden en dus uiteindelijk voor een groot deel balans bepalen. Als de voorbenen hun werk niet goed kunnen doen, kunnen de achterbenen simpelweg niet ondertreden. Paarden met lagere halsproblemen vertonen vaak een duidelijke negatieve Diagonal Advanced Placement (DAP) in de draf. Wanneer dit gebeurt, is het voorbeen niet snel genoeg 'uit de weg' voor het achterbeen en resulteert dit dus in inefficiënte gangen en soms zelfs kreupelheid.

DAP in beeld. Het rechtervoorbeen is nog op de grond terwijl het linkerachterbeen al in de lucht is. Het trage rechtervoorbeen blokkeert nu het rechterachterbeen wat dus niet kan ondertreden en het paard valt dus volledig op de voorhand in de hand van de ruiter.


Omdat de voorbenen vaak niet goed werken, is mijn hoofddoel daarom eerst de functionaliteit in deze ledematen te herstellen - wat niet hetzelfde is als het werken van een paard van voren naar achteren, maar simpelweg om normale biomechanica te bevorderen.


Rechts: de vooruitgang van hetzelfde paard linksboven afgebeeld. van DAP richting verzameling.



Wetende dat de cybernetische spier van Longus Colli- en vaak scalenus- wordt aangetast

door problemen in de lagere hals, probeer ik in plaats daarvan de thoracic sling spieren te werven om de nek van onderaf te compenseren en te stabiliseren. In tegenstelling tot mensen hebben paarden geen botverbinding tussen hun voorbenen en romp. Ze vertrouwen op de zogenaamde thoracic sling - of borstspieren - om deze gebieden te verbinden en de borstkas op te liften. De thoracic sling bestaat ​​voornamelijk uit Serratus Ventralis spier, bijgestaan ​​door de Pectoral groep.


Een unilaterale aanspanning van deze borstspieren stabiliseert de ribbenkast wanneer een van de voorbenen wordt opgetild. Hierdoor kan het paard de kracht ontwikkelen die nodig is om rechtgerichtheid te creëren. Een bilaterale aanspanning van de borstspieren houdt de ribbenkast centraal tussen de voorbenen, wat bijdraagt ​​aan een goede houding en waardoor het paard overtollig gewicht kan verlichten.


Verticale balans beschrijft niets anders dan de links-rechts gewichtsverdeling op de voorbenen en is dus vooral gericht op unilaterale aanspanning van de thoracic sling spieren en het uitlijnen van de wervelkolom. Ik wil het paard op zichzelf in vrijheid zien bewegen om te bepalen of er een dominant voorbeen is en als dat zo is, probeer ik het gewicht gelijkmatiger te balanceren met behulp van vierkanten of rechte lijnen - GEEN VOLTES. Voltes zijn in het begin echt iets om te vermijden, aangezien de meeste paarden met lagere hals problemen de neiging hebben om het binnenste achterbeen te roteren - heup, knie en hak – en ze kunnen daardoor niet op twee sporen blijven, waardoor ik de voorkeur geef aan het vierkant. Vervolgens help ik het paard verticaal in evenwicht door het een stap naar buiten te draaien of door een lichte contrabuiging op de schouder te vragen. Ik doe dit op de grond met één of twee teugels - afhankelijk van de aanwezigheid en hoeveelheid foutieve rotatie in de wervelkolom. Natuurlijk moet ik beginnen in stap, maar ik ga zo snel mogelijk naar de draf zodra het paard dit toelaat , aangezien deze gang meestal de belangrijkste is - wat ik in de volgende sectie zal uitleggen.

Zodra de verticale balans is verbeterd, train ik de horizontale balans door middel van lichaamshouding en half halts gericht op het bilateraal aanspannen van de borstspieren en dus het verminderen van overmatig gewicht van beide voorbenen. Je zult lichtheid ervaren en het paard veranderd van een leunende naar rechte houding. Overgangen naar halt zijn hierbij van groot belang.


Wanneer een paard in het proces zijn kaak vastzet of verstijfd is dit echter mijn eerste prioriteit en dien ik ontspanning te herstellen. Dit laat nogmaals zien dat de trainingsvolgorde niet altijd een blauwdruk is en flexibiliteit een vereiste is.


Laten we nu wat dieper ingaan op de praktische overwegingen die aan de gangen zijn verbonden.


GANGEN

In mijn persoonlijke ervaring zijn de stap en de galop de moeilijkste gangen voor deze paarden. Tijdens de stap moeten alle ledematen afzonderlijk bewegen, wat een goede proprioceptie vereist en dit is precies waar veel paarden met ECVM en/of artrose in de lage hals moeite mee hebben. Bovendien vereist de stap niet veel spieraanspanning.


Om deze reden is drafwerk cruciaal in mijn revalidatieproces. De draf biedt diagonale ondersteuning en daarnaast meer spieraanspanning om de gewrichten bij te staan. Tevens zijn draf-overgangen ook zeer geschikt om meer uithoudingsvermogen te creëren. Dus als het paard tijdens de stap worstelt, schakel ik snel over naar de draf. Als de balans verbetert, ga ik terug naar de stap en kijk hoe lang ik in de stap kan blijven zonder dat het paarden zich ongemakkelijk voelt. In de draf is gebleken dat overgangen naar halt ook zeer effectief zijn. De halt dient als een ‘controlerend’ hulpmiddel om te zien of het paard een goede proprioceptie heeft en in staat is aanspanning van de borstspieren vast te houden. Een correcte halt is een teken van goede coördinatie en evenwicht. Wanneer het paard een verminderd uithoudingsvermogen heeft, betekent dit dat ik in het begin liever 2-3 korte sessies van 5-10 minuten per dag en 2-4 keer per week verkies boven langere. Tenslotte, als het paard duidelijke klinische kreupelheid in draf blijft hebben, neemt de kans op succesvolle revalidatie dus aanzienlijk af.


De galop is meestal ook lastig - omdat deze meer verbonden is met de stap. Zoals eerder vermeld, resulteren problemen in de lagere hals in scoliose in de lumbale wervelkolom, wat ook de werking van het lumbo-sacrale (LS) gewricht beïnvloedt. Dit gewricht is cruciaal voor lendenbuiging en dus een goede galopsprong. Onderzoek bevestigde een lineair verband tussen galopsnelheden en LS-beweging (Johnson et al. 2010). Daarom worstelen deze paarden vaak met een goede galop en sommige hebben zelfs geen gang zuiverheid - het kan ontaarden in een viertact of een galop zonder zweefmoment. Over het algemeen is de overgang naar de galop cruciaal. Als de overgang niet goed is, zal de galop dit ook niet zijn. Afgezien van een lichte schoudervoor - wat essentieel is voor bijna alle paarden om rechtgericht te kunnen galopperen - is er niet veel dat je in de galop kunt doen en daarom moet je in plaats daarvan teruggaan naar het verbeteren van je stap/draf werk.

Dit paard werd altijd geroemd om zijn 'heerlijke' en 'makkelijke' galop. Het is echter niet correct aangezien het linkerachterbeen alweer afzet voordat het rechtervoorbeen volledig van de grond is. Hij mist dus een zweefmoment waardoor de galop inderdaad heerlijk aanvoelt, maar dus absoluut niet correct is!


LATERALE FLEXIE (STELLING)

Een paard kan stelling hebben zonder buiging, maar nooit buiging zonder stelling. Hierdoor is stelling een absolute basic voor rechtgericht trainen. Lagere halsproblemen leiden echter vaak tot een kanteling van het hoofd. Werken aan verticale balans zou dit probleem natuurlijk moeten verbeteren. Van daaruit kan een kaptoom ook helpen bij het vragen van een lichte zijwaartse flexie van de kaak om het zenuwstelsel in een andere houding te brengen. Het is belangrijk om nooit tegen verzet in te gaan en bestaande kwaliteit van verticaal evenwicht niet te verliezen.


LENGTEBUIGING & ZIJGANGEN

Paarden met ECVM of artrose in de onderhals vertonen vaak een afwijking in de zogenaamde 'flight arc' van de voorbenen die de aanleg voor zijgangen beïnvloedt - zie foto links.


De zijgangen zijn echter zeer belangrijk om het paard recht te richten. Om flexibiliteit te verbeteren maak ik met name gebruik van alle zijgangen gerelateerd aan de schouder binnenwaarts. Travers op de rechte lijn staat ​​bekend om het gevaar van foutieve rotatie - wat altijd kan worden herkend aan overbuiging van de hals of kantelen - en is voor deze paarden meestal wat makkelijker omdat het hen in staat stelt te compenseren. Correcte lengtebuiging in combinatie met axiale rotatie is dus erg moeilijk.


Cirkels zijn niet vanzelfsprekend het beste middel om correcte buiging en schouder vrijheid te verkrijgen, aangezien het binnenvoorbeen – dat op het binnenste en kleinste spoor beweegt - altijd beperkt is en ‘’ alles dat beperkt is, kan niet licht worden (La Guérinière) '’.

Zodra ik enige progressie op de vierkant boek, start ik met het aanleren van de schouderbinnenwaarts op de rechte lijnen - soms zelfs voordat ik voltes doe, omdat de SI het paard kan helpen de juiste buiging en rotatie te bereiken. Op deze manier dient de SI als voorbereiding op de voltes. Als algemene regel leer ik de oefening op de makkelijke kant aan, en oefen het op de moeilijke kant. Vervolgens maak ik overgangen naar grote cirkels om te kijken hoe het paard dit doet en kan die ook opnemen in mijn training. De travers oefen ik meestal alleen door de hoeken of in de vorm van de renvers en ik blijf hierbij zoveel mogelijk weg van de muur. Het is belangrijk om de essentie van elke zijgang te weten zodat ze dienen als een middel tot een doel en niet om zomaar een 'fancy' oefening te rijden. Als een paard wegvalt over de rechterschouder dan kan ik bijvoorbeeld linker schouderbinnenwaarts op de lange zijde vragen om vrijheid in de rechterschouder te creëren. Om dan rotatie van het binnenachterbeen in de hoeken te voorkomen kan ik een overgang maken naar de renvers om het rechtervoorbeen te stimuleren in opwaartse afdruk en zo ook het binnenachterbeen meer dragend te krijgen. Een andere goede oefening is overgangen van schouderbinnenwaarts naar appuyeren naar schouderbinnenwaarts. En vanuit daaruit weer rechtuit rijden om te kijken of de zijgangen tot hun doel hebben gediend. Dat laatste is erg belangrijk aangezien de meest voorkomende fout die ik tegenkom binnen het rechtgerichte trainen is het ook daadwerkelijk rechtuit rijden van het paard. In het kort kan dus gezegd worden dat met name zijgangen gerelateerd aan de schouderbinnenwaarts belangrijk zijn om flexibiliteit, souplesse en rechtgerichtheid te creëren. Ik vermijd zoveel mogelijk de travers op de rechte lijn. Tot slot is het niet eindeloos uitvoeren cirkels of zijgangen, maar dynamische afwisseling door middel van overgangen de sleutel tot effectiviteit.


HOOFD / HALS POSITIE

Voor alle paarden is bewegingsbereik voor lengtebuiging het hoogst in de cervicale wervels. Dit is de reden dat paarden snel de neiging hebben om te veel in hun hoofd/ nek te buigen wanneer hen wordt gevraagd om in een circulaire boog te bewegen. Ik zie echter vaak dat paarden met problemen in de lagere hals de neiging hebben om hun nek vaak zelf in te korten of the ronden – dit is dus niet altijd veroorzaakt door het trekken van een ruiter - waaruit blijkt dat ze geen idee hebben hoe te balanceren en echt kracht en stabiliteit missen in hun borstspieren. De brachiocephalic spieren zijn vaak erg strak en kunnen zelfs krampen bij palpatie.


Dit kan een valkuil zijn, want voor sommige ruiters rechtvaardigt dit een ronde positie omdat gesteld wordt dat het paard deze positie op zichzelf 'kiest', en dus wel fijn moeten vinden. Het is misschien zelfs de reden waarom paarden met ECVM erg populair zijn omdat ze zich gemakkelijk in een ronde positie laten inwerken en hypermobiliteit - wat zorgt voor zogenaamde spectaculaire gangen - bieden, hoewel het absoluut niet normaal is! Laten we dus afzien van dergelijke simplistische gedachten en bedenken dat het paard gewoon niet in staat is om een juist evenwicht te behouden.


Aan de andere kant kan lang-en-laag ook veel schade aanrichten, omdat het de voorbenen nog meer belast en extensie in de lumbale wervels als gevolgd heeft. Dit zorgt voor een hefboomwerking in het LS-gewricht en zorgt voor nog meer slijtage.


Mijn bedoeling is altijd om het hoofd/de nek zoveel mogelijk met rust te laten vanuit de gedachte dat wanneer ik met het lichaam werk, een natuurlijke basispositie van hoofd en nek vanzelf zal volgen.

Van tong probleem en veel te rond, naar geen gedoe meer in de mond.


Een natuurlijke positie van het hoofd is een positie waarin het paard toegang heeft tot de volledige lengte van zijn nek - dus niet korter, maar ook niet langer zoals wanneer de neus teveel naar voren steekt vergeleken met de eigenlijke halslengte, aangezien een actieve extensie ervoor zorgt dat het paard aan zijn nekspieren trekt, wat weer zorgt voor het verstijven van het gebied. In het ideale geval zouden oren, schoft en kruis tenminste ongeveer dezelfde horizontale lijn moeten hebben als basispositie. Vanaf daar wordt de positie van het hoofd natuurlijk opgericht als het paard meer kan verzamelen.


In bepaalde gevallen van onjuiste eerdere training, moet de hoofd / nek-positie soms een beetje worden gecorrigeerd door de borstspieren te activeren of de kaak te openen om uit een patroon van zelfgeleerde hulpeloosheid te stappen.


VOORWAARTS

Als laatste kanttekening heb ik opgemerkt dat de meeste paarden met lagere halsproblemen moeite hebben om voorwaarts te gaan. Laten we vooropstellen dat VOORWAARTS niet hetzelfde is als SNELLER gaan. In tegendeel, een snel paard is meestal geen voorwaarts paard. De term voorwaarts is slechts een directioneel concept wat betekent dat de achterbenen van het paard naar voren reiken onder het zwaartepunt van het lichaam en dus draagkracht genereren.


Idealiter zou een paard tenminste een gelijke fase van extensie moeten hebben - stuwkracht - en flexie - draagkracht. Paarden met problemen in de lagere hals stuwen vaak meer, wat soms zichtbaar is in overontwikkelde hamstrings en onderontwikkelde quadriceps, biceps en tensor fascia latae.

Als dit het geval is, moet ik werken aan de voorwaartse beweging - wat ik alleen kan doen als de verticale balans is verbeterd en meestal automatisch gebeurt als resultaat.

Meer voorwaarts heeft dus niets te maken met meer beenhulpen, omdat dit alleen een vicieuze cirkel oplevert waarbij het paard gevoelloos wordt voor de hulp en de ruiter de behoefte voelt om zelfs meer en meer hulpen te geven. Voorwaarts wordt meestal gecreëerd door het tempo te vertragen ZONDER ENERGIE TE VERLIEZEN.


Het idee is dus niet om een ​​paard langzaam te maken, maar in plaats van de energie uit het lichaam te stuwen door sneller te gaan en op de voorhand te vallen, is het idee om de energie in het lichaam te behouden om meer balans en draagkracht te creëren. Op deze manier krijgt het zenuwstelsel ook de tijd om informatie te verwerken en op te slaan. Het paard kan dan heel bewust gevoel en coördinatie van elk been beheersen. Om maar af te sluiten met de welbekende uitspraak: hardlopers zijn dus doodlopers!


CONCLUSIE

Ik hoop dat deze informatie je enig inzicht heeft gegeven in enkele factoren die belangrijk zijn gebleken bij het managen van paarden met problemen in de lagere hals en de mogelijkheid om ze naar zuiverheid te trainen. Helaas is succesvol management niet voor ieder paard haalbaar en daarom moeten we blijven leren. Altijd.


Misschien voel je, je wat overweldigd of vraag je, je precies af hoe je bepaalde oefeningen moet doen. Laat me zeggen dat een puzzelend gevoel normaal is, dat is precies de complexiteit van deze omstandigheden. Ik kan je helaas geen nauwkeuriger advies op papier geven, omdat elk geval intensieve individuele begeleiding verdient. Daarom moet je de juiste mensen om je heen vinden. Ik ben gezegend met een geweldig netwerk van mensen die willen helpen, dus aarzel niet om contact met ons op te nemen. Kortom, ik kan niet genoeg herhalen dat elk geval uniek is. We hebben het over de natuur waarin er een oneindig aantal tinten grijs is en bijna niets zwart en wit. In die zin geldt: hoe meer we leren, hoe minder we weten. Wat ik wel weet, is dat we het aan het paard verschuldigd zijn om te blijven evolueren. Om ons niet te houden aan simplistische interpretaties zoals 'hij is gewoon stout', maar om ons zo goed mogelijk te ontwikkelen om het paard te dienen. Ze hebben ons eeuwenlang gediend. Nu is het onze tijd om de gunst terug te geven! CONTACT

Om contact op te nemen met de auteur, stuur een email naar: info@thirzahendriks.com of anne-roos@thirzahendriks.com


ERKENNING

Ik wil alle paarden en eigenaren bedanken die me hebben toegestaan ​​om te leren en essentiële vaardigheden te verwerven om lage hals problematiek verder te begrijpen en te managen.


Een speciaal woord van dank gaat uit naar Zefanja Vermeulen & Sharon May-Davis van Equinestudies. Jullie zijn de ware stem van het paard, bedankt voor jullie begeleiding.


AUTEURSRECHT Houd er rekening mee dat de inhoud van dit artikel auteursrechtelijk beschermd is door Thirza Hendriks. Het is ten strengste verboden om dit document te wijzigen of te kopiëren zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Thirza Hendriks zelf. DISCLAIMER Dit document is met grote zorg samengesteld om de juistheid van de informatie te waarborgen. Thirza Hendriks kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor onjuiste informatie in dit document of schade veroorzaakt door onjuist gebruik van deze informatie. Dit document vervangt geen veterinaire diagnose en alsmede kunnen er geen definitieve medische conclusies worden getrokken uit dit document.

BIBLIOGRAPHIE

May-Davis, S. (2014). Congenital Malformations of the 1st Sternal Rib. Equine Veterinary Science.

May-Davis, S. (2014). The Occurrence of a Congenital Malformation in the 6th and 7th Cervical Vertebrae predominately observed in Thoroughbred Horses.Equine Veterinary Science. Vol 34. Pages 1313-1317.

Touzout-Jourde, G. (2019) In: Lesté-Lasserre: How Might Neck Arthritis Affects Horses Gaits? thehorse.com

Dyson, S.J. (2018). Unexplained forelimb lameness possibly associated with radiculopathy.Equine Veterinary Education.


Johnson, J.L., Moore-Colyer, M. (2010). The relationship between range of motion of lumbosacral flexion-extension and canter velocities of horses on a treadmill.Equine Veterinary Journal. Vol 41: 3. Pages 301-303.

Veraa, S., de Graaf, K., Wijnberg, I.D., Back, W., Vernooij, H., Nielen, N., Belt, A.J.M. (2019) Caudal cervical vertebral morphological variation is not associated with clinical signs in Warmblood horses.Equine Veterinary Journal.

560 views

Classical Horse Training

by Thirza Hendriks

© 2018 by Gorilla Hosting

Images by Maybel Pictures

Classical Horse Training 

Sarphatistraat 183-2
1018 GG Amsterdam 
THE NETHERLANDS

  • Facebook Social Icon
  • Instagram Social Icon
  • LinkedIn Social Icon